The Remarkable Lightness of Being

13.11.2014 – 10.01.2015

Voor sommigen is ze ondraaglijk maar de lichtheid van het bestaan is veeleer opmerkelijk bij Aeroplastics, dat al jaren een voorliefde voor het vreemde en voor ongewone humor cultiveert. The Remarkable lightness of being vestigt, via een selectie van 36 Belgische en buitenlandse kunstenaars, een blik op de actualiteit van de kunstbeoefening die we geërfd hebben van het surrealisme in de ruimste zin van het woord – niet de door Breton getheoretiseerde dogmatische stroom, maar veeleer wat Magritte en zijn volgers, uit België of het buitenland, ervan maakten – zonder de verre maar krachtige herinneringen aan het dadaïsme te vergeten.

Dadaïsten en surrealisten deelden een gezamenlijke passie voor de – literaire of visuele – collagekunst die we zowel terugvinden bij Marcel Mariën als bij André Stas. Net als deze laatste houdt Nancy Fouts ervan te goochelen met woorden en beelden in The Trip: de opgerolde zeilen van een schaalmodel van een boot worden voorgesteld aan de hand van twee (namaak)joints. Andere voorbeelden vinden we bij Christopher Coppers, die hulde brengt aan het dada-embleem bij uitstek (de Mona Lisa van Duchamp) en het collagegenre vernieuwt door er een technologische component aan toe te voegen (integratie van kleine iPods). De sculptuurobjecten van Laurent Perbos en Tom Dale doen denken aan poëtische rebussen, maar de video Shooting Through van Dale, tegelijkertijd agressief en grappig, herinnert aan het onderliggende geweld van de geest van het dadaïsme. De oorlogsmetafoor komt terug in de breekbare munitie uit keramiek van Cathy Coez, de Armements contemporains gemaakt uit dode vliegen van Jean-Marie Gheerardijn, de bronzen kalasjnikov van Robert Kunec, de delicate aquarellen van Gavin Turk die nucleaire apocalyps en voorstellen en de video van een luchtperformance (in alle betekenissen van het woord) door Maria Marshall.

Bij David Kramer resulteert de discrepantie uit het naast elkaar plaatsen van een beeld en een tekst die a priori op geen enkele manier in verband staan met elkaar maar waar je het niet kunt laten er naar een te zoeken – een concept dat ook Filip Markiewicz ontwikkelde, maar met een andere soort visuals. De composities van Daniele Buetti hebben dan weer laconieke schriftelijke berichten als uitgangspunt, die gesprokkeld lijken op het internet, een verwijzing naar de alomtegenwoordigheid van netwerken in onze levens, iets wat ook opgeroepen wordt bij Amani Bodo. Till Rabus en Wolfe von Lenkiewicz verwijzen allebei naar de kunstgeschiedenis, de eerste met een evocatie van Arcimboldo (stevig verankerd in onze tijd waar fruit en groente op weg lijken om te verdwijnen van de lijst van courante voeding), de tweede door op zijn manier terug te komen op de Jagers in de sneeuw van Bruegel de Oude. De broers Chapman gaan nog verder met een monsterlijk portret in negentiende-eeuwse stijl, dat echter is dan natuurgetrouw.

Tobias Sternberg beschrijft zichzelf als iemand met een passie voor de collage en zelfs zijn getransformeerde objecten geven blijk van een verlangen om het reële anders te laten zien – wat we terugvinden bij Tracey Snelling, die het realisme van haar miniatuurgebouwen confronteert met gevonden objecten zoals een sigarendoos. De breekbare antropomorfe assemblages en sculpturen van Laurent Pernot , Sylvie Ronflette en Carolein Smit doen denken aan de vanitas. Messieurs Delmotte is er dan weer niet bang voor om aan te schurken tegen de zonde van de hoogmoed door legendarische rocksterren te incarneren (om redenen die meer te maken hebben met hun make-up dan met hun muziek). Ook Frances Goodman interesseert zich voor het artificiële: na de sculpturen gemaakt uit kunstnagels ontwerpt ze een reeks composities op basis van valse wimpers. Tegenover deze objecten die verondersteld worden de vrouwelijke zoektocht naar schoonheid te belichamen, stelt Sarah Lucas een ander stereotype: een man waarvan het opgerichte geslachtsdeel vervangen is door een blik bier. De geborduurde Tambours apotropaïques van Art Orienté Objet proberen dan weer de dreiging te bezweren die uitgaat van de druk van de heerschappij van het geld en van de klimaatopwarming op de diersoorten; het sekstoerisme gedijt goed in de steeds warmere tropen zoals blijkt uit de schilderijen van Géraldine Swayne.

Denis Scholl en Eric Yahnker munten allebei uit in tekenen maar geven deze klassieke techniek een andere wending, de eerste door het maken van droomcomposities, de tweede door het maken van ongewone en humoristische composities. De sculpturen van John Isaacs bereiken zo een hoge graad van realisme dat je begint te twijfelen aan hun fictieve karakter. MK Kaehne (die al met Isaacs samenwerkte) produceerde op zijn beurt een reeks elementen in koffers, zoals deze paaldansinstallatie die perfect functioneel lijkt (en dat wellicht ook is). Wat is echt en wat is onecht? Je zou zelfs aan de geschiedenis beginnen te twijfelen als je God Save Me van Robert Gligorov ziet…

Al deze werken geven blijk van de vitaliteit van de dadaïstische en surrealistische erfenis en van de manier waarop de kunstenaars van vandaag ze origineel hebben kunnen herinterpreteren. Een bewijs dat de hedendaagse kunst niet kan worden herleid tot de neoconceptuele stroming, zoals dat al te vaak gebeurt.

P-Y Desaive